De ondergans van Atlantis


Alle zonnetijdperken hingen samen met historische gebeurtenissen, zoals bijvoorbeeld de ondergang van Atlantis. Ik wilde alle gegevens met elkaar combineren en kwam vervolgens met de volgende samenvatting van wat er zich wellicht gedurende die vijf perioden in Mexico heeft afgespeeld. Als we ervan uitgaan dat er vroeger inderdaad een machtige beschaving bestond op enkele eilanden in de Atlantische Oceaan, mogen we concluderen dat dit Atlantis in ieder geval gedeeltelijk gelegen heeft in wat we tegenwoordig West-Indie noemen. Cayce zelf beweerde dat het grootste eiland, dat hij Poseidia2 noemde, was gelegen in het gebied waar nu het Bimini-atol ligt. Deze kleine eilandjes liggen tegenover Miami aan deandere kant van de Straat Florida, en ten noordwesten van de Grote Bahamabank, een uitgestrekte ondiepte ten noorden van Cuba. Als we Cayce mogen geloven, zijn de Bimini-eilandjes slechts de bergtoppen van wat vroeger een veel groter eiland was dat deze zandplaat en de nabijgelegen eilanden en ondiepten omvatte. In dat geval moet Poseidia net zo groot zijn geweest als het huidige Cuba (zie afb. 62).





Poseidia verdween volgens Cayce rond 10.500 v.Chr. (met een marge van enkele eeuwen) onder de golven3 'waarna enkele emigranten in westelijke richting naar Yucatdn in Mexico vertrokken. Deze overlevenden behoorden volgens hem tot het koninkiijk huis van Atlan en werden geleid door een priester genaamd litar. lltar en zijn volgelingen hoefden met ver te varen om in Yucaten aan te komen en maakten vermoedelijk een tussenstop op Cuba. Daarna waren er twee mogelijkhedcn: of ze voeren verder westwaarts naar de Golf van Campeche, of zuidwaarts langs de oostkust om wellicht voet aan wal te zetten in ofwel Lubaantun, ofwel Thomas Ganns Chacmool.
Dit komt goed overeen met het zondvloedverhaal uit de Latijnse codex uit het Vaticaan waarin de eerste zon (ofwel periode) van de watergodin Chalchiuhtlicue werd verwoest door een zondvioed. In de Dresden-codex (zie afb. 63) staat op pagina 74 een interessante illustratie van de Mayaversie van dit verhaal. Chac Chel (een oude godin en onmiskenbaar het Maya-equivalent van de Azteekse Chalchiuhtlicue) giet hier een kruik met water leeg. Onder haar opent een kosmische kaaiman zijn mond om een vloedgolf voort te brengen. Hij draagt de tekens van de planeten Venus, Mars, Mercurius en Jupitcr en stelt vermoedelijk zelf de Melkweg voor. De bedoeting is duidelijk: de wereld wordt in opdracht van de regengodin vernietigd door een overstroming. De vernietiging heeft een astrale betekenis, wellicht omdat de planeten een grote cyclus hebben voltooid.

In de Popol Vub, het epos van de Quich6-Maya's, dat zoals we hebben gezien naar Europa werd gebracht door Brasseur de Bourbourg, staat dat de eerste door de goden gemaakte mensen met volmaakt waren. Deze mensen waren gemaakt van modder, verloren a] snel hun vorm en losten uiteindelijk op in water. Hoewel er onmiskenbaar detailverschillen zijn tussen de Yucatdnmythe in de Dresden-codex en de Quich6-mythe in de Popol Vub, is het zonneklaar dat de bedoeling hetzelfde is: de eerste verwoesting gebeurde door water. De wijze waarop de mensheid de zondvloed overteefde is in de Latijnse codex uit het Vaticaan enigszins verwarrend opgetekend, maar we moeten met vergeten dat deze met is geschreven vanuit een historisch, maar vanuit een mythologisch perspectief. We moeten zelf bepalen waar de mythe werkelijk over gaat. Eerst lezen we dat de mensen in vissen veranderden en vervolgens dat ofwel 66n echtpaar door een boom werd beschermd, ofwel zeven echtparen in een grot wachtten tot het water was gezakt. Naar mijn mening verwijzen beide versies naar de ontsnapping uit Atlantis. De mensen werden niet zozeer in vissen'veranderd', maar konden in vissen (schepen) over de oceaan varen. In at gava is het zeer waarschijnlijk dat ze hun toeviucht hebben gezocht tot een grot toen ze voor het eerst voet aan wal zetten in hun nieuwe land, het Yucatdn-schiereiland. Vermoedelijk namen de immigranten niet alleen de herinnering aan de ondergang van Poseidia met zich mee, maar tevens een grote hoeveelheid praktische kennis van astronomie, geometries wetenschap en geneeskunde. Net als Sint-Patrick in lerland probeerde litar kennelijk zo goed en zo kwaad als hii kon zijn geavanceerde Atiantische kennis over te brengen op de inheemse proto-Mayabevolking, waarbij hij gebruik maakte van een lokale ratelsiang, crotalus durissus durissus, om zijn woorden te verduidelijken.

De Attantiden moeten de veel minder ontwikkelde bevolking van Yucat6n zijn voorgekomen als goden. Hun leider Iltar werd door hen Zamna genoemd en vereerd als de vader van de andere goden.

De tweede 'zon', die volgde op de verwoesting van Atlantis en zo'n 4000 jaar duurde, was een gouden eeuw. Dit tijdperk werd volgens de Leyenda geregeerd door de god van de wind, Ehecati, een hoedanigheid van Quetzalcoatl die werd gesymboliseerd door een quetzalvogel. Dit doet vermoeden dat er een verband bestaat tussen litar-Zamna en Quetzalcoati-Kukulcan als goden van de beschaving. Maar aan alle goede dingen komt een einde en net als in de vorige periode werd ook deze zon vernietigd. Hoe dit precies gebeurde, is met duidelijk, maar volgens Cayce werd enige tijd na het verzinken van Poseidia de oorspronkelijke stad van litar op Yucat6n met al haar tempers vernietigd. Dit is mogelijkerwijs de tweede verwoesting waarover in de Leyenda wordt gesproken, want hier staat dat dit tijdperk door stormwinden ten einde kwam. Aangezien het woord orkaan is afgeleid van de Caribische naam voor de windgod, is het duidelijk dat het hier gaat om winden van orkaankracht. Zoals we nu helaas zelf ervaren, zijn orkaanwinden evenals stijgende oceanen symptomen van het broeikaseffect. Dit doet vermoeden dat er toentertijd (vermoedelijk rond 7000 v.Chr.) in Yucat6n sprake was van nog een ander, mogelijk meer lokaal tijdperk van overstromingen en orkaanwinden. In de Leyenda staat dat'de mens in een aap werd veranderd, zodat hij in de bomen kon klimmen om te overleven', wat vermoedelijk betekent dat de bevolking vertrok uit het onbeschutte Yucatsn om zich enige tijd terug te trekken in de beboste gebieden van Chiapas en Tabasco. In de dichte wouden van het binnenland moeten ze enige beschutting tegen de razende winden hebben gevonden.

Ook over het derde tijdperk van Tleyquiyahuillo, dat volgde op deze verwoesting, is weinig bekend. Vermoedelijk duurde het van 7000 v.Chr. tot ca. 3 1 00 v.Chr. en ging het vooraf aan het begin van de Mayabeschaving. De Indianen uit deze periode hadden in de jungle de tweede vernietiging overleefd en begonnen hun verwoeste wereld opnieuw op te bouwen. Volgens archeologen werden rond 7000 v.Chr. voor het eerst gewassen verbouwd in de Teohuacanvallei bij Oaxaca. Dit vond plaats voor de introductie van mafs, en lijkt derhalve overeen te komen met de mededeling in de Leyenda dat de mensen toen met zoals in de vorige periode vruchten uit het oerwoud aten, maar voedsel dat tzincoacoc werd genoemd (vergelijkbaar met amandelpasta). Ook de stad Lubaantun werd tijdens dit tijdperk gebouwd, volgens Cayce met behulp van andere immigranten uit Peru. Hoe onorthodox dit idee misschien op het eerste gezicht ook lijkt, het verklaart in ieder geval waarom Lubaantun zo verschilt van andere Mayasteden in dit gebied, en ook waarom de stadsmuren bestaan uit rote steenblokken zonder metselspecie, een bouwtechniek die kenmerkend is voor Peru. Tijdens de derde periode heerste de vuurgod, wat wellicht een verklaring biedt voor de aanwezigheid van de kristallen schedel tussen het puin van Lubaantun. Zoals we al eerder hebben gezien werd de schedel zeer waarschijnlijk gebruikt als een zeer verfijnd brandglas. Vermoedelijk werd hij beschouwd als een magische representant van de zonnegod zelf. Dat de schedel de mogelijkheid bezat om een vuur'te ontsteken moet grote indruk hebben gemaakt op mensen die onbekend waren met optische principes.
De latere vuurceremonieen van de Azteken en de Maya's hielden verband met opvattingen over regeneratie. Door middel van vuur worden immers organische stoffen ontbonden tot hun basisbestanddelen, waarbij tegelijk hitte en licht vrijkomen. De oude bewoners van Midden-Amerika keken duidelijk anders tegen vuur aan dan wij. Ze zagen het als middel om de zon te regenereren. Vandaar dat ze het nodig vonden een ceremonie op te voeren als een periode ten einde liep - of dat nou 66n jaar, 52 jaar of een baktun van 144.000 dagen was. Hierbij werd het oude verbrand om plaats te maken voor het nieuwe. Ze geloofden dat ze op deze manier de zon voedden door de leven schenkende hitte die in dode materie ligt opgeslagen vrij te maken.
Met de komst van de vierde periode, ca. 3 1 00 v.Chr., bevinden we ons op bekender terrein. Volgens de archeologen werd mafs kort voor het begin van dit tijdperk voor het eerst verbouwd, zo rond 3200 v.Chr. In 3114 v.Chr. begint ook de kalender van de lange telling van de Maya's. De belangrijkste gebeurtenis in deze periode is volgens de Leyenda de stichting van de stad Tula door de'god'Quetzatcoati. Deze legendarische stad wordt in alle bronnen omschreven als een schitterend en heilig oord. Er zijn onder archeologen veel discussies gevoerd over de locatie van deze stad. Tegenwoordig wordt ze vereenzelvigd met de ruines van Tula in Hidalgo, de vrij kleine Tolteekse hoofdstad die in de negende eeuw werd gebouwd. Dit is echter niet het hele verhaal. Wat mogelijk voor verwarring heeft gezorgd is dat de naam Quetzalcoati door de Mexicaanse Indianen vroeger zowel werd gebruikt als titel voor zeer heilige religieuze leiders, als voor een god uit een ver verleden. Net zoals in Egypte alle levende farao's werden beschouwd als reincarnaties van de god Horus en zo ook werden genoemd, zo werden in Midden-Amerika de hogepriesters van de Tolteken en de Maya's aangesproken met de titel Quetzalcoat] (Kukulcan). Men geloofde dat ze de levende belichaming van de god waren, net zoals tegenwoordig de Dalai Lama door zijn volgelingen als een levende Boeddha wordt beschouwd. Er zijn echter aanwijzingen dat 66n persoon met de naam Quetzalcoati uit-
zonderlijke kwaliteiten bezat en werd beschouwd als de profeet van de vierde periode. Vermoedelijk was het door deze man gestichte Tula niet de Tolteekse hoofdstad die door Charnay werd ontdekt, maar zeer waarschijnlijk de grootste en heiligste stad van het Mexico van voor de Spaanse verovering: Teotihuacan.

In de Leyenda staat dat, nadat de derde periode rond 3 1 00 v.Chr. door vuur ten einde was gekomen, enkele overievenden van de kustgebieden YucatAn en Tabasco naar de hoogvlakte emigreerden. Onder leiding van Quetzalcoati stichten ze een nederzetting die ze Tula noemden en vermoedelijk kan worden vereenzelvigd met Teotihuacan. Rond 1 00 v.Chr. was het inwonertal van de stad toegenomen tot wel 200.000 en was het de belangrijkste plaats in het zuiden van Mexico. Tweehonderd jaar later hadden de inwoners van Teotihuacan de grote pleinen aangelegd en de Piramiden van de Zon en de Maan gebouwd. Ook bouwden ze de grote 'Citadel' met de kleinere Piramide van Quetzalcoati. Deze werden gebouwd op de plaats waar eerder de door Quetzalcoatl en zijn vrienden opgerichte bouwwerken stonden. De invioed van de stad strekte zich uit tot aan Palenque, en het ging haar voor de wind totdat rond het jaar 750 de vierde periode ten einde kwam. Een afname van het aantal zonnevlekken en een toename van de zonnestraling leidde tot een vermindering van de vruchtbaarheid bij de mens. Deze ramp werd nog verergerd door een droogteperiode die in grote gebieden leiddc tot misoog-
sten en hongersnood. De overlevenden realiseerden zich wellicht dat een zonneperiode ten einde was gekomen, begroeven een groot deel van de heilige stad Teotihuacan en staken de rest in brand opdat de energie van de stad naar de zon terug zou keren. Het blijft speculatie, maar het is verleidelijk om te denken dat in ieder geval enkele van hun leiders - waaronder misschien wel een zieke oude man genaamd Nanahuatzin - zichzelf in de viammen wierpen om door middel van een laatste, vertwijfelde poging de zonnegod kracht te schenken en hun afstammelingen te begunstigen. Vermoedelijk was het .deze zelfopoffering die door de latere Azteken werd beschouwd als de dood der goden. Het in de as leggen van de stad was de ultieme vuurceremonie en symboliseerde voor de Azteken en de Tolteken het einde van het vierde tijdperk.

Uit de as van Teotihuacan herrees de vijfde Azteekse'zon', Nahui Ollin. Aangevuld met immigranten uit het noorden en onder leiding van iemand die ook Quetzalcoati werd genoemd, trokken de overlevenden van Teotihuacan naar een andere vallei om een nieuwe stad te bouwen. Dit Tula - in Hidalgo - was veel kleiner, maar werd de hoofdstad van de Tolteken en het waren de rufnes van deze stad die door Charnay werden ontdekt. Volgens de Azteekse en Tolteekse legenden was deze Quetzalcoatl lang, had hij een blanke huid en een baard en was hij ingewijd in alle spirituele zaken. Als koning regeerde hij tijdens wat later een gouden eeuw werd genoemd op rechtvaardige wijze over zijn volk. Zijn broer, de oorlogsgod Tezcatlipoca, die samen met hem over Tula regeerde, raakte echter buiten zinnen van jaloezie. Quetzatcoati werd gedwongen te vertrekken, vergezeld door een grote schare vrienden en volgelingen. Hij reisde naar de Oostkust en ging aan boord van een viot van slangen. Voordat hij wegvoer in de riclitilig van de opkomende zon beloofde hij dat hij op een dag terug zou keren om zijn rechtvaardige en vertichte heerschappij opnieuw te vestigen. Het was deze profetie die de Azteken zoveel angst aanjoeg, omdat ze in hun hart wisten dat hun voorvaderen zich het Tolteekse rijk hadden toegeeigend, en ze vreesden de terugkeer van Quetzatcoati. Wellicht was dit de reden dat ze hem bleven vereren en hun doden begroeven op de oude locatie van Teotihuacan, waar het ultieme offer was gebracht. Ze wisten vermoedelijk wel degelijk dat deze heilige plaats de oorspronkelijk stad was van de rechtvaardige god Quetzalcoatt, omdat de Tolteken hen hadden verteld dat de godheid hier de geboorte van de vijfde zon had verwezentijkt. De hoofdstad van de vierde periode lag nu met haar piramiden en tempers begraven onder een laag modder en vegetatie, maar bleef tot aan de komst van de Spanjaarden een belangrijk pelgrimsoord voor de Middenamerikaanse lndianen.

Gelijktijdig met de groei van Teotihuacan ontstond intussen verder naar het oosten in Chiapas en Yucatdn een afzonderlijke Mayabeschaving. De oorsprong van deze beschaving is in nevelen gehuld, maar moet parallel hebben gelopen aan de opkomst van Teotihuacan. De Maya's hadden (als 'Olmeken') steden gebouwd aan de kust van Tabasco, maar na 1 000 v.Chr. trokken ze westwaarts richting Oaxaca. Ze ontwikkelden ook een hierogliefenschrift, dat ze later doorgaven aan de Zapoteken, en de methode


Quetzalcoatl, de rechtvaardige god

De betrokkenheid van de god Quetzalcoatl bij de offers in Teotihuacan is op zichzelf al een raadselachtige zaak, omdat Quetzalcoati (of Kukulcan, zoals de Maya's hem noemden) een god uit het hemetrijk was. Hij was een van de vier zonen van het eerste godenpaar Ometeoti (Hunabku in de Mayatraditie) en regeerde over de westkant van de hemel. Zijn blanke huid symboliseerde uiteraard zuiverheid, goedheid en wijsheid. Hij werd ook wel vereenzeivigd met Venus, die zowel wit is als de heiderste planeet aan de sterrenhemel. Quetzalcoati als Venus was tevens een soort feniks, de mythische, zich-
zelf opofferende vuurvogel. Want volgens de Annalen van Cuaubtitlan offerde hij zichzelf op in het Land van Zwart en Rood (vereenzelvigd met Xicalanco en Acallan aan de grens van het Mayagebied) en zijn roodgloeiende hart steeg op en werd de planeet Venus. In de Annalen staat:

Toen ze de plaats bereikten waarnaar ze zochten, moest hij [Quetzalcoatt] wederom wenen en lijden. In dit jaar I Riet (zoals wordt gezegd en verkondigd), toen hij de oceaankust had bereikt, de rand van het hemelwater, stond hij op, weende, nam zijn gewaad en zette zijn pluimen op, zijn kostbare masker. Nadat hij zijn kledij had aangetrokken, nam hii uit vrije wil plaats in het vuur. Zodat de plaats waar Quetzalcoati zichzelf in brand stak de Plaats der Verzenging wordt genoemd.

En men beweert dat toen hij in brand stond, zijn as omhoogsteeg en allerlei soorten zeldzame vogels verschenen en men zag dat ze opstegen naar de hemel... En nadat hii tot as was geworden steeg het hart van de quetzalvogel op; men zag en wist dat het de hemel binnenging. De oude mannen zeiden dat hij Venus was gewordeni en men beweert dat Quetzalcoati stierf toen de ster verscheen. Van nu af aan werd hij de Heer der Ochtendschemering genoemd.

Hier zien we opnieuw de bekende relatie tussen een vuurceremonie en een wedergeboorte, het begin van een nieuw tijdperk. Zoals we hebben gezien houdt de Geboorte van Venus nauw verband met de tijdrekening, omdat dit het begin van de kalender van de lange telling van de Maya's in 3114 v.Chr. aangeeft. Voor de Azteken eindigde deze periode met de verwoesting van Teotihuacan en de stichting van Tula rond het jaar 750. De schrijver van Annalen van Cuaubtitlan wilde de mythische geboorte van Venus koppelen aan het begin van de vijfde periode en legde derhalve een verband tussen de Venusmythe en de viucht van de latere Quetzalcoati-Topilzin. Ook het jaar I Riet is in dit verhaal van belang, want het was in een dergelijk jaar dat het rijk van de Azteken op barbaarse wijze werd binnengevallen; met door een goedaardige Quetzalcoatl, maar door Cort6s en zijn volgelingen. De mythe van Quetzalcoatl-Kukulcan behelst echter meer dan louter astronomie of geschiedenis. Als archetype vertegenwoordigde hij alles waarnaar een mens diende te streven. Dat hij als een gevleugelde slang wordt afgebeeld getuigt van 7ijn tweeledige aard: de veren symboliseren zijn hemelse, spirituele aard (de Vader) en de slang vertegenwoordigt zijn relatie met de fysieke creatie (de Moeder).