Text Size
   
Mar 15
Monday

Bloodline "Movie"


Tombe of Jezus







THE ORIGIN OF BRITISH ISRAELISM

An obscure person named Richard Brothers who lived in England between 1757 to 1824 is credited with the origination of this farfetched fantasy. He was true to the form of religious fanatics and his movement was strikingly parallel with Joseph Smith and the Mormons. Richards was as eccentric as Smith was ignorant.

 

 

There is a distinct similarity in the origination of these episodes, a resemblance in the characters of the men, and in the cues to their religious fictions, particularly in the purported saga of the ten tribes of Israel upon which the respective movements were founded. The religious lunacy of these men was about identical in degree, the difference being in the circumstances of Richard Brothers' commitment to an asylum and Joseph Smith to a jail.

Read more...
Oorlogen PDF Print E-mail
Written by Administrator   
Thursday, 01 October 2009 11:42

ISRAËLITICHE VEROVERINGSTOCHTEN IN KANAÄN - LAND VAN KAÏN

 

Toen het nomadenvolk van de Israëlieten de woestijn van Sinaï doorkruiste, waren het volgens hun interne gegevensbron de Levieten die hen daarbij leidden en een dagreis voor hen uit bleven om over de volgende kampplaats te beslissen. Zij waren ook degenen die de bijbelse verslagen opstelden. Mozes (zelf een Levitisch opperpriester) trad aanvankelijk als enige rechter in alle geschillen op, maar tenslotte stelde hij toezichthouders aan. Er kwam een verdeling in eenheden van tientallen, vijftigtallen, honderdtallen en duizendtallen, zoals een leger, met elk hun toezichthoudende overste. De Levieten spraken recht en bepaalden de wet. Zij hadden als enigen het recht om te beslissen over het gebruik van twee zilveren trompetten, die aanvankelijk gebruikt werden als communicatiemiddel voor de gemeenschap bij het opbreken van het kamp en ter verzameling. De hoofden van de andere stammen moesten dan voor de 'Tent der Samenkomst' verschijnen. Zij organiseerden tenslotte een telling en nummering van de stamen (dat ze zelf tijdens WOII deden, kom ik later op terug), waarin iedere man van eenentwintig of ouder moest meegerekend worden. Na de bouw van de Ark gingen ze verder naar hun beloofd land Kanaän (land van Kaïn). Bij het naderen van Kanaän werd door de Levieten een groep verspieders opgericht, waarin elke stam met een eigen man betrokken was, maar zelf bleven zij op de achtergrond. Op hun tocht kwamen de Hebreeuwen bij de stad Jahaz met koning Sihon in botsing. De Israëlieten versloegen en doodden hem en al zijn mannen, namen de stad in en lieten ook daar niemand ontkomen. Hetzelfde gebeurde vervolgens met Og koning van Bashan. Toen Aäron en ook Mozes in de woestijn waren omgekomen had Jozua het leiderschap van het volk van Israël overgenomen. Onder zijn commando gebeurde de invasie van Kanaän, beginnend bij Jericho dat geheel werd geplunderd en platgebrand. De Levieten organiseerden eerst de stammen en begonnen met verspieders aan te stellen, een voor elke stam. Wofsi en Nachbi voor de stam van Nafthali, Sammua voor de stam Ruben, ook Kaleb uit de stam van Juda enz. Kaleb was getrouwd met de Egyptische koningsdochter Bithiah. Hij probeerde samen met Jozua, toen de tien andere verspieders het volk moedeloos probeerden te maken, het volk moed in te spreken. Dit kostte hem bijna het leven. Verder heeft hij geholpen 'de oorspronkelijke inwoners van Kanaän te verdrijven' aldus de Midrasj. De opdracht werd duidelijk geformuleerd. Het was uitdrukkelijk de bedoeling Amorieten, Kanaänieten, Hettieten enz. vooruit te drijven vanuit het zuiden: “hun altaren zult gij omverhalen, hun gewijde stenen verbrijzelen en hun gewijde palen omhouwen, want gij zult niet buigen voor een andere god”. Bij opstandigheid werden zware straffen toegepast waaronder steniging. Heber was een Keniet, die de oorlogsplannen van de Israëlieten aan de Kanaänieten verried, mogelijk om hen te misleiden. Jaël was zijn echtgenote. Zij doodde Sisera de legeraanvoerder van de koning van Kanaän, toen die in haar tent 'vluchtte' en er daarna in slaap viel. Tijdens de veroveringstochten werden de zilveren trompetten gebruikt om de aanvallende Israëlieten aan te sporen. Volgens de Qumram rollen werd hiermee ook de tactiek te velde geregeld. Uiteindelijk werd het hele Kanaänitische gebied deels veroverd en onderworpen, al gebeurde dit op vrij gruwelijke wijze waarbij de inheemse bevolking in de steden grotendeels werd afgeslacht. De Baäl van een veroverde stad werd buiten op een paal gespietst als afschrikwekkend teken voor de achtergeblevenen. Enkel de ongehuwde vrouwen werden gespaard en als slavinnen mee in de stammen opgenomen. Zij en het goud en zilver mochten 'bij de schat van Jahwe worden gevoegd'. Uitzondering werd gemaakt voor de priesteressen die aan het hoofd van de tempels stonden. Zij werden echter tot lang na de veroveringen tegengewerkt in een religieuze campagne om hun dienst met functie en bezittingen door die van Jaweh te vervangen. Later bepaalde de wet dat de Israëlieten van hun erfelijk bezit steden moesten afstaan aan de Levieten, zodat die er (alleen) konden wonen, evenals weidegronden eromhee. De wet voorzag verder dat andere Israëlieten een Leviet die binnen hun poorten woonde 'niet aan zijn lot overlieten'. Ook werd de vrijheid van de vrouw en haar recht op erfenis en zelfstandige bezittingen steeds meer door wetten van de Levieten aan banden gelegd. Bepaalde tempelrituelen werden als losbandigheid bestempeld en verboden op straf van steniging. De asherahs werden op last van de Levieten overal bij de tempels omgehakt. De verovering van Kanaän door de Hebreeuwen in de 12e eeuw v.Chr. bleef ettelijke jaren duren, zeker tot ver in het noorden in zuidelijk Libanon de steden Gibeon, Hazor en Baäl Gad onder de Berg Hermon waren vernield. In 1190 v.Chr. werd Ugarit verwoest door een brandcatastrofe. Het Koninkrijk Israël ('Twaalfstammen-rijk') dat aldus ontstond in 1020 v.Chr. met als eerste koning Saul hield stand tot na de regering van koning Salomo in 928 v.Chr. Daarna werd het na inwendige twisten het 'Tienstammenrijk' Samaria, terwijl zich zuidelijker het koninkrijk Juda afsplitste als het 'Tweestammenrijk' (komen we later op terug).

 

OPDRACHT VAN DE HEER AAN JOZUA

 

Na de dood van Mozes, de dienaar van de heer, zei de heer tegen Jozua, de zoon van Nun en de rechterhand van Mozes:'Nu mijn dienaar Mozes is gestorven, moet jij je gereedmaken om met heel dit volk de Jordaan over te trekken. Ga naar het land dat ik het volk van Israël zal geven. Elk stuk grond dat jullie zullen betreden geef ik jullie, zoals ik Mozes heb beloofd. Jullie gebied zal zich uitstrekken van de woestijn tot aan de Libanon, en van de grote rivier, de Eufraat, met het land van de Hethieten, tot aan de Grote Zee in het westen. Zolang je leeft zal niemand tegen je kunnen standhouden. Zoals ik Mozes heb bijgestaan, zo zal ik ook jou bijstaan. Ik zal niet van je zijde wijken en je niet verlaten.  Wees vastberaden en standvastig, want jij moet dit volk leiden wanneer ze het land veroveren dat ik hun zal geven, zoals ik hun voorouders gezworen heb. En houd je vóór alles vastberaden en standvastig aan de wet waarin mijn dienaar Mozes je heeft onderwezen. Houd je daar altijd aan en wijk er op geen enkele manier van af, opdat je in alles wat je doet zult slagen. Leg dat wetboek geen moment ter zijde en verdiep je er dag en nacht in, opdat je je aan alles houdt wat erin geschreven staat. Dan zal alles wat je onderneemt voorspoedig verlopen. Ik gebied je dus: wees vastberaden en standvastig, laat je door niets weerhouden of ontmoedigen, want waar je ook gaat, de heer, je God, staat je bij.'Jozua gaf toen de schrijvers van het volk de opdracht: 'Ga het hele kamp door en zeg tegen het volk dat het voor proviand moet zorgen. Het zal over drie dagen de Jordaan overtrekken om het land in bezit te nemen dat de heer, hun God, hun zal geven.'  Tegen de stammen Ruben en Gad en de eerste helft van de stam Manasse zei hij: 'Houd u aan de opdracht die Mozes, de dienaar van de heer, u gegeven heeft. Mozes heeft gezegd: “De heer, uw God, zal u vrede schenken en u dit gebied geven.” En Mozes zei verder dat uw vrouwen, kinderen en vee in dit gebied mogen blijven dat hij u aan deze zijde van de Jordaan heeft toegewezen. Maar alle weerbare mannen onder u moeten hun broeders in slagorde voorgaan in de strijd om ze te steunen, totdat de heer u allemaal vrede geeft en ook zij het gebied in bezit hebben genomen dat de heer, uw God, hun geeft. Pas dan mag u teruggaan en uw eigen gebied in bezit nemen dat Mozes, de dienaar van de heer, u ten oosten van de Jordaan heeft toegewezen.' Zij antwoordden Jozua: 'We zullen alles doen wat u ons bevolen hebt en overal naartoe gaan waar u ons heen stuurt. Zoals we naar Mozes hebben geluisterd, zo zullen we naar u luisteren. Moge de heer, uw God, u bijstaan, zoals hij Mozes heeft bijgestaan. Iedereen die niet naar u luistert en zich tegen uw bevelen verzet, tegen welk bevel dan ook, zal worden gedood. Wees vastberaden en standvastig.'

 

OVERZICHT VAN DE VEROVERINGEN

 

Zo veroverde Jozua (een Leviët) het hele land: de bergen van Juda, de hele Negev, het hele gebied rond Gosen, het heuvelland, de Jordaanvallei en de bergen van Israël met hun uitlopers. Dit is het gebied vanaf de Kale Bergen, die oplopen naar Seïr, tot aan Baäl-Gad in de Libanonvallei aan de voet van het Hermongebergte. Jozua nam alle koningen gevangen en doodde hen zonder uitzondering. Hij voerde lange tijd oorlog tegen die koningen,  want er was geen enkele stad die een vredesverdrag met de Israëlieten had gesloten, behalve Gibeon, de stad van de Chiwwieten. Er viel Israël niets zonder slag of stoot in handen. De heer had namelijk alle volken zo eigenzinnig gemaakt dat ze hoe dan ook oorlog tegen Israël wilden voeren. Daarom hoefden de Israëlieten die volken niet te sparen en konden ze die vernietigen. Ja, zo konden ze die volken uitroeien, zoals de heer aan Mozes had opgedragen.Jozua roeide in die tijd ook de Enakieten uit die in de bergen van Juda woonden, in Hebron, Debir en Anab, en in de bergen van Israël. Hij doodde hen en liet hun steden aan de heer. Er bleven in het land van Israël geen Enakieten meer over, behalve in Gaza, Gat en Asdod.Nadat Jozua het hele land veroverd had, zoals de heer aan Mozes had opgedragen, gaf hij het Israël als grondgebied volgens de indeling in stammen. Hiermee eindigde de oorlog.

 

VERDELING VAN KANAÄN

 

In de vlakte van Moab, aan de Jordaan ter hoogte van Jericho, zei de heer tegen Mozes: “Zeg tegen de Israëlieten” “Wanneer jullie de Jordaan oversteken naar Kanaän,  moeten jullie de bewoners van dat land verdrijven. Vernietig al hun stenen met afbeeldingen en al hun gegoten beelden, en verwoest de offerplaatsen. Neem het land in bezit en ga er wonen, ik geef jullie dit land in eigendom. Jullie moeten het land door middel van loting onder de verschillende geslachten verdelen. Geef een groot geslacht een groot stuk grond in bezit, een klein geslacht een klein stuk. Het lot bepaalt wat elk geslacht krijgt. Zo moeten jullie het land onder de verschillende stammen verdelen. Maar als jullie de bewoners ervan niet verdrijven, zullen degenen die je van hen overlaat zich vijandig tegenover je opstellen wanneer jullie eenmaal in het land wonen; ze zullen tot stekels in je zij en tot dorens in je ogen worden. En dan zal ik met jullie doen wat ik van plan was met hen te doen.”' De heer zei tegen Mozes: 'Deel de Israëlieten het volgende mee: “Wanneer jullie in Kanaän zijn aangekomen, zullen dit de grenzen zijn van het grondgebied dat jullie toevalt:Jullie zuidgrens loopt vanaf de woestijn van Sin langs het gebied van Edom, en begint dus bij de uiterste zuidoostpunt van de Zoutzee. Hij loopt in een bocht zuidelijk om de Schorpioenenpas heen, gaat dan verder naar Sin, loopt vervolgens rechtstreeks naar een punt ten zuiden van Kades-Barnea, en gaat via Chasar-Addar verder naar Asmon. Bij Asmon buigt de grens af naar de wadi die de grens met Egypte vormt, en van daar loopt hij rechtstreeks naar de zee. De westgrens wordt gevormd door de Grote Zee; houd dat als westgrens aan.Jullie noordgrens loopt als volgt: Trek een lijn van de Grote Zee naar de Hor, en trek van deze berg een lijn naar Lebo-Hamat. De grens loopt daarna rechtstreeks naar Sedad vervolgens naar Zifron, en eindigt bij Chasar-Enan. Houd dit als noordgrens aan. Voor de grens in het oosten moeten jullie een lijn trekken van Chasar-Enan naar Sefam.Van Sefam loopt de grens naar beneden, naar Haribla, ten oosten van Aïn, vervolgens gaat hij verder omlaag en loopt hij vlak langs de bergketen ten oosten van het Meer van Kinneret.  Daarna loopt hij nog verder omlaag, volgt de Jordaan en komt uit bij de Zoutzee. Dat zijn de grenzen van het land dat voor jullie bestemd is.”' Mozes deelde de Israëlieten mee: 'Dit is het land dat u door middel van loting onder elkaar moet verdelen en dat aan negeneneenhalve stam gegeven moet worden, zoals de heer geboden heeft. De families van de stam Ruben en van de stam Gad, en ook de helft van de stam Manasse, hebben immers het grondgebied dat hun toekomt al ontvangen; tweeëneenhalve stam hebben grondbezit ontvangen aan deze kant van de Jordaan, ter hoogte van Jericho, aan de oostkant, waar de zon opkomt.' De heer zei tegen Mozes: 'Degenen die het land onder jullie moeten verdelen, zijn de priester Eleazar en Jozua, de zoon van Nun. Wijs in elke stam iemand aan die de leiding heeft bij de verdeling van het land. 

 

Dit zijn hun namen: 

 

voor de stam Juda Kaleb, 

de zoon van Jefunne; voor de stam Simeon 

Semuël, de zoon van Ammihud;voor de stam Benjamin 

Elidad, de zoon van Kislon; voor de stam Dan 

het familiehoofd Bukki, de zoon van Jogli; wat de nakomelingen van Jozef betreft: voor de stam Manasse het familiehoofd Channiël, 

de zoon van Efod, en voor de stam Efraïm het familiehoofd Kemuël, de zoon van Siftan; voor de stam Zebulon het familiehoofd Elisafan, de zoon van Parnach; voor de stam Issachar het familiehoofd Paltiël, de zoon van Azzan; voor de stam Aser het familiehoofd Achihud, 

de zoon van Selomi; voor de stam Naftali het familiehoofd Pedaël, 

de zoon van Ammihud.' 

 

Dit waren degenen aan wie de heer opdroeg om Kanaän onder de Israëlieten te verdelen.

 

HET GRONDGEBIED VAN DE STAM RUBEN

 

Mozes had aan de families van de stam Ruben het volgende grondgebied toegewezen:  Het begon bij de stad Aroër aan de rand van het Arnondal, beter gezegd, bij de stad die in het dal zelf ligt, en omvatte verder de hele hoogvlakte tot aan Medeba, dat wil zeggen Chesbon met de omliggende steden; verder Dibon, Bamot-Baäl, Bet-Baäl-Meon,  Jahas, Kedemot, Mefaät, Kirjataïm, Sibma en Seret-Hassachar, dat in de uitlopers van de bergen ligt. En verder nog Bet-Peor, de rotskloven van de Pisga en Bet-Hajjesimot. Kortom, alle steden op de hoogvlakte, ofwel het hele rijk van Sichon, de koning van de Amorieten, die in Chesbon heerste en door Mozes verslagen was. (Mozes versloeg tegelijk de Midjanitische stamhoofden Ewi, Rekem, Sur, Chur en Reba, die in Sichons rijk woonden en diens legeraanvoerders waren. Bovendien hadden de Israëlieten de waarzegger Bileam, de zoon van Beor, gedood.) Dit was het gebied dat met alle steden en dorpen toebehoorde aan de families van de stam Ruben. De natuurlijke grens werd gevormd door de Jordaan. 

 

HET GRONDGEBIED VAN DE STAM GAD

 

Mozes had aan de stam Gad, aan de families van die stam, het volgende grondgebied toegewezen: Het begon even boven Chesbon en strekte zich uit tot aan Ramat-Hammispe en Betonim, en vanaf Machanaïm tot aan het gebied rond Lo-Debar. (13:25-26) Lo-Debar - Voorgestelde lezing. MT: 'Lidbir'. Het omvatte Jazer, alle steden van Gilead en de helft van het land van de Ammonieten tot aan Aroër bij Rabba. Het omvatte bovendien een aantal steden in de Jordaanvallei: Bet-Haram, Bet-Nimra, Sukkot en Safon. Kortom, de rest van het rijk van Sichon, de koning van Chesbon, ten oosten van de Jordaan. Hierbij vormde de Jordaan de natuurlijke grens, precies tot de zuidkant van het Meer van Kinneret. Dit was het gebied dat met alle steden en dorpen toebehoorde aan de families van de stam Gad.

 

HET GRONDGEBIED VAN DE STAM MANASSE

 

Mozes had aan de families van de eerste helft van de stam Manasse het volgende grondgebied toegewezen: Het strekte zich uit ten noorden van Machanaïm en omvatte heel Basan, dus het hele rijk van koning Og, met inbegrip van alle dorpen van Jaïr, zo'n zestig nederzettingen.Verder omvatte het de helft van Gilead en de beide koningssteden die Og in Basan had: Astarot en Edreï Dit was het gebied dat toebehoorde aan de eerste helft van de families die van Manasses zoon Machir afstamden.Tot zover de gebieden die Mozes op de vlakte van Moab, ten oosten van de Jordaan en Jericho, had verdeeld. Hij wees de stam van de Levieten echter geen grondgebied toe. Zij zouden mogen bestaan van de dienst aan de HEER, de God van Israël, zoals hij hun had beloofd.

 

 

 

(grondgebied van de 12 stammen van Israël)

 

HET GRONDGEBIED VAN DE STAM JUDA

 

Het grondgebied dat door loting aan de families van de stam Juda werd toegewezen, lag in het uiterste zuiden. Het strekte zich uit tot in de woestijn van Sin, waar de grens met Edom liep.De zuidgrens begon bij het zuidelijkste punt van de Zoutzee, liep vervolgens zuidelijk langs de Schorpioenenpas, ging verder naar Sin en liep daarna ten zuiden van Kades-Barnea omhoog. Vervolgens liep de grens naar Chesron en ging hij verder omhoog naar Addar. Hij boog af naar Karka ging naar Asmon en bereikte de wadi die de grens met Egypte vormde. Van daar liep hij rechtstreeks naar de zee. (Deze grens moet voor heel Israël de zuidgrens zijn.) De oostgrens werd gevormd door de Zoutzee tot aan de monding van de Jordaan. De noordgrens begon bij de noordkant van de Zoutzee, bij de monding van de Jordaan.Hij liep naar Bet-Chogla, passeerde Bet-Araba aan de noordkant en ging omhoog in de richting van de rots van Bohan. (Bohan was een nakomeling van Ruben.)Vervolgens liep hij vanuit het Achordal omhoog naar Debir en boog in noordelijke richting af naar Gilgal, dat tegenover de Adummimpas ligt, ten zuiden van de wadi. Hij ging naar de Semesbron en van daar rechtstreeks naar de Rogelbron.Vervolgens liep de grens via het Ben-Hinnomdal om het zuiden van de heuvelrug waarop Jebus lag (het huidige Jeruzalem). Daarna ging hij omhoog naar de top van de berg die westelijk van het Hinnomdal en noordelijk van de vallei van Refaïm ligt. Van daar liep hij in een lichte bocht naar de bron van Me-Neftoach, daarna naar Ijjim (15:9) Ijjim - Volgens de Septuaginta. MT: 'de steden'. in het berggebied van Efron, en vervolgens in een lichte bocht naar Baäla (het huidige Kirjat-Jearim). Bij Baäla boog de grens af naar het westen, naar de bergen van Seïr. Vervolgens passeerde hij de noordkant van de beboste heuvelrug waarop Kesalon ligt, daalde naar Bet-Semes en liep door naar Timna. Hij passeerde de noordkant van de heuvelrug van Ekron, maakte een lichte bocht naar Sikkaron en liep via de berg van Baäla naar Jabneël en van daar rechtstreeks naar de zee. De westgrens werd op natuurlijke wijze gevormd door de Grote Zee. Dit waren de grenzen van het grondgebied van de families van de stam Juda. Jozua wees, zoals de HEER hem had opgedragen, een deel van Juda's grondgebied toe aan Kaleb, de zoon van Jefunne: hij kreeg Hebron, dat toen nog Kirjat-Arba heette, naar Arba, de vader van Enak. Kaleb verdreef er de drie zonen van Enak: Sesai, Achiman en Talmai;  vervolgens trok hij op tegen Debir, dat toen nog Kirjat-Sefer heette. Kaleb beloofde: 'Wie Kirjat-Sefer verovert zal ik mijn dochter Achsa tot vrouw geven.' Otniël, een zoon van Kalebs broer Kenaz, veroverde de stad en kreeg Achsa tot vrouw. Bij haar aankomst spoorde Achsa hem aan om aan haar vader een stuk vruchtbaar land te vragen. Toen ze van haar ezel was afgestegen, vroeg Kaleb haar wat ze verlangde. 'Geef me toch een geschenk waar ik wat aan heb,' antwoordde ze. 'U hebt me dit dorre stuk land gegeven, geef me dan ook bronnen.' Hierop gaf Kaleb haar zowel de hoog- als de laaggelegen bronnen. Dit was het grondgebied van de families van de stam Juda.

 

HET GRONDGEBIED VAN DE STAM EFRAÏM

 

De families van de stam Efraïm kregen het volgende grondgebied: De zuidgrens begon ten oosten van Atrot-Addar, liep naar Hoog-Bet-Choron en eindigde bij de zee. De oostgrens begon bij Michmetat in het noorden. Hij liep in zuidoostelijke richting naar Taänat-Silo, passeerde die stad in het oosten en liep verder naar Janoach.Vervolgens daalde hij naar Atarot en Naära, ging vlak langs Jericho en eindigde bij de Jordaan. De noordgrens liep vanaf Tappuach via de wadi Kana naar het westen. Hij eindigde bij de zee. Dit was het grondgebied van de families van de stam Efraïm. Verder kregen ze nog enkele steden in het gebied van Manasse, met inbegrip van de omliggende dorpen.Maar de Kanaänieten uit Gezer konden ze niet verdrijven; die bleven in hun midden wonen, tot op de dag van vandaag. Ze werden echter gedwongen tot herendienst.

 

HET GRONDGEBIED VAN DE STAM BENJAMIN

 

Het eerste lot viel op de stam Benjamin. Het grondgebied dat aan de families van deze stam werd toegewezen, lag tussen de gebieden van Jozef en Juda. De noordgrens begon bij de Jordaan. Hij ging langs de noordkant van de heuvelrug bij Jericho omhoog, liep door de bergen naar het westen en kwam uit bij de woestijn van Bet-Awen. Hij liep vervolgens naar Luz (het huidige Betel), ging zuidelijk langs de berg bij die stad, daalde naar Atrot-Addar en liep verder over de berg die ten zuiden van Laag-Bet-Choron ligt. Daar maakte hij een bocht, waarmee hij overging in de westgrens. De westgrens liep vanaf de berg die ten zuiden van Bet-Choron ligt naar het zuiden tot aan de grens met Kirjat-Baäl (het huidige Kirjat-Jearim), een stad die aan de stam Juda toebehoorde. Zo liep de westgrens. De zuidgrens begon boven Kirjat-Jearim en liep van daar via Ijjim (18:15) via Ijjim - Voorgestelde lezing. MT: 'naar het westen'. naar de bron van Me-Neftoach. Hij daalde naar de voet van de berg die westelijk van het Ben-Hinnomdal en noordelijk van de vallei van Refaïm ligt, en daalde vervolgens verder naar het Hinnomdal. Via dat dal liep hij om het zuiden van de heuvelrug waarop Jebus lag. Hij daalde naar de Rogelbron en liep in een lichte bocht naar het noordoosten. Daarna ging hij in een rechte lijn naar de Semesbron en vervolgens naar Gelilot, dat tegenover de Adummimpas ligt, en daalde af naar de rots van Bohan. (Bohan was een nakomeling van Ruben.) De grens liep vervolgens langs de noordkant van de heuvelrug die ter hoogte van Bet-Araba ligt, daalde naar de Jordaanvallei, liep langs de noordkant van de heuvelrug die bij Bet-Chogla ligt en ging daarna in zuidelijke richting verder tot aan de monding van de Jordaan. Daar, bij de noordkant van de Zoutzee, eindigde hij. Zo liep de zuidgrens van de stam Benjamin. De oostgrens werd gevormd door de Jordaan. Dit waren de grenzen van het grondgebied dat aan de families van de stam Benjamin toebehoorde. In het gebied van de stam Benjamin lagen de volgende steden: Jericho, Bet-Chogla, Emek-Kesis, Bet-Araba, Semaraïm, Betel, Awwim, Para, Ofra,  Kefar-Haämmoni, Ofni en Geba. Twaalf steden met de omliggende dorpen. Verder Gibeon, Rama, Beërot, Mispa, Kefira, Mosa, Rekem, Jirpeël, Tarala, Sela, Elef en Jebus (het huidige Jeruzalem), Gibea en Kirjat-Jearim. Veertien steden met de omliggende dorpen. Dit was het grondgebied van de families van de stam Benjamin.

 

HET GRONDGEBIED VAN DE STAM SIMEON

 

Het tweede lot viel op de stam Simeon. Het grondgebied dat aan de families van deze stam werd toegewezen, lag binnen het gebied van Juda.Het omvatte Berseba, Sema, (19:2) Sema - Volgens de Septuaginta. MT: 'Seba'. Molada,Chasar-Sual, Bala, Esem, Eltolad, Betul, Chorma, Siklag, Bet-Hammarkabot, Chasar-Susa, Bet-Lebaot en Saruchen. Dertien steden met de omliggende dorpen.En verder Aïn, Rimmon, Eter en Asan. Vier steden met de omliggende dorpen.De dorpen rond al deze steden reikten helemaal tot aan Baälat-Beër en Ramat-Negev. Dit was het gebied dat toebehoorde aan de families van de stam Simeon.Het vormde een afgescheiden deel van het gebied van Juda, dat voor die stam te groot was. Daarom kreeg Simeon een gebied binnen dat van Juda.

 

HET GRONDGEBIED VAN DE STAM ZEBULON

 

Het derde lot viel op de stam Zebulon. De zuidgrens van het grondgebied dat aan de families van deze stam werd toegewezen, begon bij Sarid. Hij liep vervolgens in westelijke richting omhoog naar Marala, ging vlak langs Dabbeset en kwam precies uit bij de wadi die tegenover Jokneam ligt. De grens liep vanaf Sarid in oostelijke richting langs de streek rond Kislot-Tabor, ging rechtstreeks naar Daberat, ging omhoog naar Jafia 13 en liep van daar verder naar het oosten. Hij passeerde Gat-Hachefer en Et-Kasin en liep rechtstreeks naar Rimmon. Vervolgens boog hij af naar Nea. (19:13) Rimmon. Vervolgens boog hij af naar Nea - Voorgestelde lezing. MT: 'Rimmon, dat gericht is op Nea'. Daarna boog de grens opnieuw af ten noorden van Channaton, waarna hij uitkwam in de vallei van Jiftach-El. Andere steden zijn Kattat, Nahalal, Simron, Jidala en Bet-Lechem. Twaalf steden met de omliggende dorpen. Dit was het gebied dat met alle steden en dorpen toebehoorde aan de families van de stam Zebulon.

 

HET GRONDGEBIED VAND E STAM ISSACHAR

 

Het vierde lot wees de families van de stam Issachar het volgende grondgebied toe: De steden Jizreël, Kesullot, Sunem, Chafaraïm, Sion, Anacharat, Rabbit, Kisjon, Ebes, Remet, En-Gannim, En-Chadda en Bet-Passes. De grens van hun gebied liep vlak langs de Tabor, passeerde vervolgens Sachasim en Bet-Semes, en eindigde bij de Jordaan. Het omvatte zestien steden met de omliggende dorpen. Dit was het gebied dat met alle steden en dorpen toebehoorde aan de families van de stam Issachar.

 

HET GRONDGEBIED VAN DE STAM ASER

 

Het vijfde lot wees de families van de stam Aser het volgende grondgebied toe: De steden Chelkat, Chali, Beten, Achsaf, Allammelech, Amad en Misal. De grens van hun gebied liep helemaal langs de Karmel, via de rivier de Libnat, naar de zee. De andere kant op, in oostelijke richting, liep hij naar Bet-Dagon; daarna viel hij even ten noorden van het dal van Jiftach-El samen met de grens van Zebulon. Vervolgens ging hij in noordelijke richting naar Bet-Haëmek, Neïel en Kabul.Andere steden daar zijn Abdon, (19:28) Abdon - Volgens sommige Hebreeuwse handschriften. MT: 'Ebron'. Rechob, Chammon, Kana en Groot-Sidon. Vanaf Groot-Sidon liep de grens terug in de richting van Rama, hij passeerde de vestingstad Tyrus, boog af naar Chosa en eindigde ten slotte bij de zee. Dit gebied omvatte verder de steden Machaleb, (19:29) Machaleb - Volgens de Septuaginta (lezing van handschrift B). MT: 'vanaf Chebel naar', of: 'vanaf [het door het] meetlint [toegewezen gebied] naar'. Achzib, Akko, (19:30) Akko - Volgens sommige handschriften van de Septuaginta. MT: 'Umma'. Afek en Rechob. Tweeëntwintig steden met de omliggende dorpen. Dit was het gebied dat met alle steden en dorpen toebehoorde aan de families van de stam Aser.

 

HET GRONDGEBIED VAN DE STAM NAFTALI

 

Het zesde lot wees de families van de stam Naftali het volgende grondgebied toe: De zuidgrens liep vanaf Chelef, vanaf de eik in Saänannim, via Adami-Nekeb en Jabneël naar Lakkum, waarna hij eindigde bij de Jordaan. De andere kant op, in westelijke richting, liep de grens vanaf Chelef naar Aznot-Tabor; van daar liep hij naar Chukok. Hij viel in het zuiden samen met de grens van Zebulon, in het westen met de grens van Aser, en in het oosten eindigde hij bij de Jordaan, bij Jehuda.Dit gebied omvatte de vestingsteden Siddim, Ser, Chammat, Rakkat, Kinneret, Adama, Rama, Hasor, Kedes, Edreï, En-Chasor, Jiron, Migdal-El, Chorem, Bet-Anat en Bet-Semes. Negentien steden met de omliggende dorpen. Dit was het gebied dat met alle steden en dorpen toebehoorde aan de families van de stam Naftali.

 

HET GRONDGEBIED VOOR DE STAM DAN

 

Het zevende lot wees de families van de stam Dan het volgende grondgebied toe: De steden Sora, Estaol, Ir-Semes, Saälabbin, Ajjalon, Jitla, Elon, Timna, Ekron,Elteke, Gibbeton, Baälat, Jehud, Bene-Berak, Gat-Rimmon, Me-Hajjarkon en Rakkon met het gebied tegenover Jafo. Maar de Danieten verloren hun gebied. Ze ondernamen daarom een veldtocht naar Lesem, namen die stad in en doodden iedereen die er woonde. Ze namen Lesem in bezit, vestigden zich in die stad en noemden haar Dan, naar hun stamvader. Dit was het gebied dat met alle steden en dorpen toebehoorde aan de families van de stam Dan.

 

TOEWIJZING VAN HEBRON AAN KALEB

 

Er kwamen enige mannen van de stam Juda bij Jozua in Gilgal. Een van hen was Kaleb, een Kenizziet, een zoon van Jefunne. Hij zei tegen Jozua: 'U weet wat de HEER aan Mozes, de godsman, in Kades-Barnea over ons beiden heeft gezegd.Ik was veertig jaar oud toen Mozes, de dienaar van de HEER, mij er vanuit Kades-Barnea op uitstuurde om dit land te verkennen. Ik bracht hem naar eer en geweten verslag uit. Mijn metgezellen joegen ons volk de schrik op het lijf, maar ik bleef volledig op de HEER, mijn God, vertrouwen.Mozes beloofde me toen: “Omdat je op de HEER, mijn God, bent blijven vertrouwen, zweer ik je dat de hele streek die je hebt verkend voor altijd het grondgebied van jou en je nageslacht zal zijn.” Welnu, de HEER heeft mijn leven gespaard, zoals hij had beloofd. Het is nu vijfenveertig jaar geleden dat hij Mozes die belofte gaf, toen Israël nog door de woestijn trok. Ik ben nu vijfentachtig jaar oud,  maar nog altijd even sterk als op de dag dat Mozes me op verkenning stuurde. Ik ben nog even goed als toen in staat te vechten en het bevel te voeren. Geef me dus dit bergland dat de HEER me indertijd heeft beloofd. U hebt toen toch gehoord dat er Enakieten wonen, in grote en versterkte steden? Als de HEER me maar bijstaat zal ik ze wel meester worden, zoals hij heeft beloofd.' Nadat Kaleb dit had gezegd, zegende Jozua hem en gaf hem Hebron als grondgebied. Hebron heette destijds Kirjat-Arba, naar Arba, de grootste reus onder de Enakieten. Omdat Kaleb, een Kenizziet, een zoon van Jefunne, op de HEER, de God van Israël, was blijven vertrouwen, kregen hij en zijn nageslacht Hebron als grondgebied, tot op de dag van vandaag. Hiermee eindigde de oorlog.


Last Updated ( Friday, 02 October 2009 13:55 )
 

3D Views